Lopende adviezen in 2010
10 mei 2010
PGS 10 ‘Vloeibare Zwaveldioxide: opslag en gebruik’
Het Ministerie van VROM heeft – als penvoerend departement – op 31 maart 2010 de AGS gevraagd advies uit te brengen over het deel uit de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen waarin regels zijn opgenomen voor de opslag en het gebruik van zwaveldioxide. De Ministeries van VROM, BZK, SZW en VenW hebben in juli 2005 de oorspronkelijke uitgave uit 1983 opnieuw en ongewijzigd uitgegeven. In de tussenliggende decennia is er een en ander veranderd in de hogere wet- en regelgeving en in inzichten in risicobeheersing en in de mogelijkheden om de veiligheid te verbeteren.
Het Ministerie maakt op dit moment een inventarisatie van de problemen die het heeft met de nu vigerende publicatie. Aan de hand van de door het Ministerie van VROM te verstrekken achtergrondinformatie en de concrete, uitgewerkte vraagstelling van het Ministerie, zal nadere afstemming volgen. De AGS zal vervolgens de adviesaanvraag in behandeling nemen.
Contact: Yvette Oostendorp
E-mail: oostendorp@adviesraadgevaarlijkestoffen.nl
Advies over de methodologie van de risicoanalyse
De AGS heeft eerder al adviezen uitgebracht over de staat van kwantitatieve risicoanalyse (QRA) in Nederland[1]. De overheid heeft bepaalde rekenmethodieken voorgeschreven om risico’s in het vervoer en in stationaire installaties te kunnen becijferen. In zijn adviezen concludeerde de AGS dat de voorgeschreven rekenmethodieken geen getrouw beeld geven van de veiligheid, te weinig zicht geven op mogelijkheden om risico’s beter te beheersen en ontoereikend zijn voor besluitvorming gericht op bescherming tegen risico’s van gevaarlijke stoffen. De AGS adviseerde over het verbeteren van het rekeninstrumentarium en over de organisatie van beheer en onderhoud van het instrumentarium, gescheiden van beleid. Tegelijk constateerde de AGS echter dat de oplossing van de problemen in de besluitvorming ten aanzien van vergunningverlening en ruimtelijke ordening niet kan worden gevonden in de hoek van de rekentechniek alleen. De balans is doorgeschoten naar de rekenarij met een voorgeschreven rekenmethodiek, waarbij het rekenresultaat teveel gezien wordt als een absolute waarheid. Er is behoefte aan meer informatie om besluitvorming op te baseren.
De AGS onderzoekt de mogelijkheden om de methodologie voor risicoanalyse te verbreden met veiligheidsrelevante informatie. De methodologie zal dienend moeten zijn voor de politiek-bestuurlijke besluitvorming. Dit betekent dat een integrale beschouwing plaats moet vinden, van zowel kwantitatieve als kwalitatieve informatie, om een gedegen balans te kunnen vinden tussen economie, ruimtelijke ordening en veiligheid. De AGS oriënteert zich daarbij mede op ontwikkelingen in het buitenland.
Contact: Marijke van der Velden
E-mail: velden@adviesraadgevaarlijkestoffen.nl
Interne en externe veiligheid
De wet- en regelgeving die de veiligheid in en rond bedrijven moet borgen is in de loop van vele jaren tot stand gekomen binnen diverse departementen. Deze ontwikkeling heeft onder andere geleid tot een gescheiden beschouwen van de interne en de externe veiligheid bij zowel bedrijven als bij vervoer. De commissie interne en externe veiligheid van de AGS verkent de consequenties voor de veiligheid van de huidige opsplitsing van het beleid in verschillende wetfamilies. In de inventarisatiefase komt de vraag aan de orde of en op welke manier het huidige onderscheid tussen interne en externe veiligheid – in beleid en wetgeving – de bevordering van de veiligheid van burgers en van werknemers in de weg staat.
Veiligheid is in Nederland geregeld langs de lijnen van ‘het object’. Zo is de interne veiligheid als onderdeel van de arbeidsomstandigheden geregeld in de Arbowet en is de externe veiligheid geregeld via de Wet milieubeheer. Ook bij de implementatie van de Seveso II-richtlijn in het Brzo’99 is het niet gelukt om de integrale benadering van de EU-richtlijn over te nemen. Deze gescheiden beleidsontwikkeling in Nederland heeft in het verleden de ruimte geboden voor inhoudelijke verschillen in de benadering van risico’s, voor verschillen in de normstelling, in de verantwoordelijkheidstoedeling en in het toezicht en de handhaving. Mede daardoor is het lastig de veiligheid van installaties en vervoersassen integraal te benaderen. Naast deze inhoudelijke aspecten zijn er ook organisatorische consequenties van de huidige scheiding. Het toezicht is verdeeld over verschillende instanties met allerlei gevolgen voor efficiëntie en effectiviteit. Deze uiten zich bijvoorbeeld in gescheiden kennis- en instrumentontwikkeling bij de verschillende onderdelen binnen de overheid en in toezichtlasten voor bedrijven. Lopende initiatieven voor verbetering van het toezicht en vermindering van toezichtlasten blijven tot nu toe binnen de huidige bestuurlijke context. Dit betekent onder andere dat er wel samenwerking is op het gebied van toezicht, maar dat de handhaving verdeeld blijft over verschillende regionale en Rijksinspecties.
Contact: Yvette Oostendorp
E-mail: oostendorp@adviesraadgevaarlijkestoffen.nl
Verantwoordelijkheidstoedeling in de fysieke veiligheid
Een heldere verdeling van verantwoordelijkheden is een belangrijk onderdeel van risicomanagement. In de adviezen van Adviesraad over delen uit de Publicatiereeks Gevaarlijke stoffen werden de respectieve verantwoordelijkheden van overheid en het bedrijfsleven aan de orde gesteld.
De AGS verkent de mogelijkheden voor een advies over verantwoordelijkheidstoedeling in de fysieke veiligheid. Daarbij onderzoekt de AGS de verschillende verantwoordelijkheden van de overheid, burgers en bedrijven en de consequenties voor onder andere het toezicht en handhaving van een nadrukkelijker benoemen en in wet- en regelgeving beleggen van de verantwoordelijkheid van burgers en bedrijfsleven.
Contact: Marijke van der Velden
E-mail: velden@adviesraadgevaarlijkestoffen.nl
Letselindicatoren, scenarioanalyse en maatregelen
De regionale brandweer kan haar adviestaak in het kader van de verantwoording groepsrisico niet goed invullen bij gebrek aan geschikte beoordelingsinstrumenten en criteria. Bij het opstellen van het advies ‘Brandweeradvisering’[2] signaleerde de AGS dat het inzicht in mogelijk letsel ten gevolge van een ramp met gevaarlijke stoffen onvolledig is. In de vigerende regelgeving is vastgelegd dat voor een beschouwing van de maatschappelijke ontwrichting ten gevolge van een ramp met gevaarlijke stoffen het groepsrisico wordt gehanteerd. Dit risico is een maat voor het aantal ‘rekendoden’ dat kan optreden ten gevolge van de ramp. Om een goed beeld te verkrijgen van de mogelijkheden voor zelfredzaamheid en hulpverlening, heeft de hulpverlening (inclusief de brandweer) behoefte aan inzicht in de kans op en de aard van subletaal letsel. De AGS onderzoekt of het in het kader van de besluitvorming – waartoe het brandweeradvies dient – nodig en mogelijk is een programma van eisen op te stellen voor het kwantificeren van letselindicatoren.
Er zijn vele rampscenario’s mogelijk. Het beloop van de ramp en de mogelijkheden voor zelfredzaamheid en hulpverlening hangen samen met de specifieke omstandigheden ter plaatse. De hulpverlening kiest bepaalde scenario’s die zij relevant acht voor het beloop van de ramp. Voor deze scenarioselectie bestaat momenteel weinig houvast. Ook ontbreekt het de hulpverlening aan een methodiek om maatregelen die het beloop van een ramp gunstig beïnvloeden of zelfredzaamheid en hulpverlening verbeteren, systematisch te identificeren en beoordelen. De AGS onderzoek of het mogelijk is een programma van eisen op te stellen voor de selectie van relevante scenario’s en voor het wegen van mitigerende maatregelen.
Contact: Marijke van der Velden
E-mail: velden@adviesraadgevaarlijkestoffen.nl
[1] In 2006 ‘QRA-modellering voor vervoer van gevaarlijke stoffen’ en in 2010 ‘Risicoberekeningen volgens voorschrift: een ritueel voor vergunningverlening’.
[2] Brandweeradvisering in het kader van de verantwoordingsplicht groepsrisico: stand van zaken (2008).